Provincie Utrecht
De Botanische Biografie Utrecht bestaat uit drie historische delen die samen de relatie tussen
planten, mensen en plaatsen in de VOC/WIC-periode (17e/18e eeuw) en de
daarop aansluitende koloniale periode (19e en eerste helft 20ste eeuw) zichtbaar maken.
Deel 1: Getekende & geschilderde planten
In deze periode (de Gouden Eeuw van de Botanie) zijn talloze planten vastgelegd door botanische tekenaars, verzamelaars, ontdekkingsreizigers en kunstenaars.
# Momenteel werken we met 103 tekenaars aan Deel 1.
Deel 2: Levende (sier)planten
Tropische gewassen in hortussen en huizen & geacclimatiseerde tropische planten in tuinen - meegekomen met de schepen van de VOC/WIC.
# Start onderzoek derde kwartaal 2026.
Deel 3: In cultuur gebrachte gewassen
Planten en mensen die verbonden zijn met voormalige koffie-, thee-, katoen- en cacaoplantages, en met de handel in indigo en kruiden. Hierbij onderzoeken we de relaties van plantagehouders & VOC/WIC aandeelhouders/bestuurders die in de provincie Utrecht woonden of landgoederen bezaten.
In dit deel is er aandacht voor de mensen die op deze plantages werkten, de tot slaaf gemaakten wier kennis, vakmanschap en arbeid de teelt en handel - onder dwang - mogelijk maakten.
# Start onderzoek vierde kwartaal 2026.
Deel 1: Getekende & geschilderde planten

Berthe hoola van Nooten
1817-1892
***
Utrechtse botanisch kunstenaar met een scherp oog voor kleur en vorm.
In 1856 vertrok Berthe, op uitnodiging van haar broer, naar Batavia (het huidige Jakarta), waar zij onderwijs gaf aan kinderen in wat tot 1945 bekend stond als Nederlands-Indië.
Op verzoek van de directie van ’s Lands Plantentuin in Buitenzorg (nu Kebun Raya Bogor), ten zuiden van Batavia, kreeg zij in 1860 de opdracht om bloemen en planten te tekenen.
In die periode begon Hoola van Nooten aan de botanische illustraties die zouden uitmonden in haar beroemde werk Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java, Peints d’après Nature, 1863.
Het paleis in Buitenzorg was destijds de residentie van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1817 had het Nederlands-Indische gouvernement, direct naast de paleistuin, ’s Lands Plantentuin opgericht. De eerste directeur, de botanicus Caspar Georg Carl Reinwardt, bracht er in vijf jaar tijd meer dan negenhonderd verschillende plantensoorten bijeen.
Met haar verfijnde observatievermogen wist Hoola van Nooten veertig exotische planten van Java te vereeuwigen in levendige kleuren.
Met dank aan het Allard Pierson Museum en Wageningen University & Research (WUR).
103 tekenaars zijn momenteel actief met het in beeld brengen van Berthe haar tekeningen op XXL formaat.

HENDRIK ADRIAAN VAN REDE TOT DRAKENSTEIN 1636 -1703
***
Telg uit een adellijke Utrechtse familie, dat in het bezit was van kasteel Drakensteijn in Lage Vuursche.
Als bestuurder van de VOC aan de Malabarkust in Zuid-India werkte hij van 1678–1693 samen met de Indiase ayurvedische geneeskundige Itty Achudan en lokale tekenaars en geleerden aan de Garden of Malabar (Hortus Malabaricus): een monumentaal werk waarin 740 plantensoorten worden beschreven en geïllustreerd, met hun ayurvedische en medische toepassingen.
Van Rheede maakte als VOC-bestuurder deel uit van een koloniaal systeem waarin slavernij vanzelfsprekend was; hij stelde regels op voor de behandeling van tot slaaf gemaakten, maar zette het systeem zelf niet ter discussie.
Het boek geldt als een vroeg en bijzonder voorbeeld van interculturele wetenschappelijke samenwerking, waarin Europese en Indiase kennis elkaar aanvullen.
Binnenkort gaan de tekenteams aan de slag met het uitbeelden van dit belangrijke erfgoed.
Met dank aan het Allard Pierson Museum.

CRISPIJN VAN DE PASSE DE JONGE 1549 - 1670
***
Nederlandse graveur, tekenaar en prentuitgever die een groot deel van zijn leven doorbracht in Utrecht.
Hij leerde het vak van zijn vader, Crispijn van de Passe de Oude, een destijds vermaarde kunstenaar met een
werkplaats in Utrecht.
Van de Passe maakte niet alleen portretten, maar ook gravures met Bijbelse en historische onderwerpen, evenals illustraties voor boeken.
Zijn eigen en bekendste werk is
Den-Blomhof 1614–1616
(Hortus Floridus), een verzameling van 160 gravures van bloeiende bol- en knolgewassen. Dit fraaie en invloedrijke boek kende groot succes en verscheen, naast de oorspronkelijke Latijnse editie, ook in Nederlandse, Franse en Engelse vertalingen.
Binnenkort gaan de tekenteams aan de slag met de gravures van Crispijn.
Den-Blomhof wordt bewaard in het archief van de Universiteit Utrecht:

AGNES BLOCK
1629 - 1704
***
Bloemengodin van de lage landen aan de Vecht.
Het kweken van de eerste Europese ananas is niet haar enige verdienste en bijdrage aan de wetenschap. Ze claimde dat ze in één jaar tijd meer dan tweehonderd zaden tot rijpheid had gekweekt.
Ze was zo op de hoogte van de laatste wetenschappelijke botanische ontwikkelingen en bezat vakliteratuur in allerlei talen. Ze benaderde de botanie op een wetenschappelijke manier en liet haar eigen verzameling nauwkeurig documenteren.
Zo’n twintig kunstenaars kregen de opdracht de door haar gekweekte planten en bloemen naar het leven vast te leggen in ongeveer 400 aquarellen.
Buitenplaats Vijverhof aan de Vecht bij Nieuwersluis (nu Flora Batava) was dan ook niet zo maar een samenraapsel van kunstenaars, maar een select gezelschap van specialisten in het afbeelden van botanische (en zoölogische) objecten.
Onder de kunstenaars waren: Pieter Withoos, Alida Withoos, Maria Sybilla Merian, Pieter Holsteyn II, Johannes Bronkhorst, Herman Hengstenburgh, Herman Saftleven, Maria Monickx, Jan Monickx, Johanna Helena Herolts-Graff (dochter Maria Sybilla Merian), & Otto Marseus van Schrieck.
Binnenkort brengen de TekenTeams de botanische tekeningen in opdracht van Agnes Block opnieuw tot leven.