In de VOC/WIC tijd (17/18e eeuw) en de daaropvolgende koloniale periode speelden planten een centrale rol in de relatie tussen Nederland en overzeese gebieden zoals Suriname.

Tegelijkertijd rustte deze plantage-economie op het werk van tot slaaf gemaakte mensen en op de kennis van inheemse gemeenschappen.

De welvaart in Nederland was mede gebaseerd op de handel in producten van planten zoals suiker, tabak, koffie, cacao, katoen, specerijen en indigo.



Die kennis was essentieel voor het verbouwen van tropische gewassen, maar bleef lange tijd onderbelicht.