- EXPOSITIE -
Botanische Biografie Utrecht
Deel 1 > ode aan Berthe Hoola van Nooten (1817 -1892)
Pentekeningen op basis van het werk van Berthe gepubliceerd in haar boek:
Fleurs, Fruits et Feuillages, choisis de l'île de Java: peints d'après nature 1863
Artist Statement
Geschiedenis
Met deze ode aan de in Utrecht geboren Berthe Hoola van Nooten (1817–1892) wil ik haar werk opnieuw onder de aandacht brengen, én het verhaal vertellen van de tijd waarin zij leefde.
Via de familie van haar man kwam Berthe in Suriname terecht en via haar broer in Indonesië. Beide landen waren destijds gekoloniseerd door Nederland. Na het vroege overlijden van haar man betaalde haar broer, die rijk was geworden in de suikerhandel, de overtocht voor Berthe en haar gezin naar Nederlands-Indië, nu Indonesië.
In 1860 kreeg Berthe van de directie van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg de opdracht de bloemen, vruchten en planten uit de tuin naar de natuur te tekenen. De tekeningen vormden de basis voor haar boek Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de l'Île de Java (1863–1864).
's Lands Plantentuin in Buitenzorg fungeerde destijds als een koloniale proeftuin. Tegenwoordig is deze tuin bekend als Kebun Raya Bogor én een belangrijke beschermer van de Indonesische biodiversiteit.
En dat vind ik interessant: de groene doorwerking van de scheve machtsverhoudingen tijdens de koloniale periode. Door haar werk opnieuw uit te beelden kunnen we dit verhaal vertellen.
Medium
Voor de uitbeelding heb ik gekozen voor grote pentekeningen en het spel van licht en donker. Die keuze sluit aan bij de geschiedenis van de botanische illustratie: de eerste florilegia werden vaak in zwart-wit uitgegeven, waarna professionele kunstenaars de gravures met de hand inkleurden. Het grote formaat doet recht aan de kwaliteit en betekenis van haar werk en aan 's Lands plantentuin te Buitenzorg, nu Kebun Raya Bogor.
Het meest verrassend vind ik het effect van samen tekenen aan één tekening, soms met wel acht tekenaars! Verschillende handschriften versterken elkaar en geven de tekeningen een extra dimensie. Tegelijkertijd ontstaan er verbindingen tussen mensen die samen werken aan een gedeeld verhaal.
Ik ben dan ook super trots op het resultaat van 107 tekenaars die met veel toewijding meewerkten aan 25 pentekeningen - gebaseerd op de botanische illustraties die Berthe in Indonesië maakte.
Onderzoeksvraag
Welke rol speelde lokale plantenkennis bij het vastleggen van planten?
Het is aannemelijk dat Berthe Hoola van Nooten bij haar werk werd geadviseerd door Johannes Elias Teijsmann (1808-1882), hortulanus van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg en bovendien destijds haar overbuurman. Teijsmann beschikte over een uitzonderlijk botanisch netwerk en uitgebreide kennis van de flora van de Indonesische archipel.
Voor haar botanische beschrijvingen en de selectie van planten maakte Berthe waarschijnlijk ook gebruik van de rijke collectie van de Bibliotheca Bogoriensis. Daar bevonden zich belangrijke werken zoals het Amboinsche Kruid-boek (1741–1750) van Georg Eberhard Rumphius en Rumphia van Carl Ludwig Blume, met ongeveer tweehonderd gelithografeerde afbeeldingen van planten uit de Indonesische archipel.
Hoewel deze boeken door Europese botanici werden geschreven, lijkt het onvermijdelijk dat een belangrijk deel van de daarin vastgelegde kennis afkomstig was van Indonesische gidsen, verzamelaars, tuinlieden, geneeskundigen en andere lokale kennishouders. Hun kennis van planten, groeiplaatsen, lokale namen en toepassingen vormden vaak de basis van botanisch onderzoek, terwijl hun bijdragen zelden werden vastgelegd of erkend.
In Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de l'Île de Java (1863) noemt Berthe acht Europese natuuronderzoekers, onder wie Junghuhn en Lindley. Het vermelden van dergelijke gezaghebbende namen gaf haar werk wetenschappelijke autoriteit. In de vele bewaard gebleven brieven aan haar Noord-Amerikaanse hartsvriend hebben de auteurs echter geen namen gevonden van Indonesiërs of andere lokale betrokkenen die mogelijk hebben bijgedragen aan de totstandkoming van haar boek.
Dat hoeft niet te betekenen dat zij geen rol speelden. In de negentiende eeuw was het gebruikelijk dat de kennis en bijdragen van lokale gidsen, verzamelaars, kunstenaars, tuinlieden en andere kennishouders nauwelijks werden vastgelegd of erkend.
Ruim zestig jaar later noemde Jacob Jonas Ochse in Indische vruchten (1927) wél de Indonesische tekenaar M. Soeparno. Ook zijn collega Atje Soleiman (leefjaren onbekend), werkzaam in Buitenzorg, droeg als botanisch illustrator bij aan Ochses latere publicatie Vruchten en vruchtenteelt in Nederlandsch-Indië (1931). Daarmee kregen Indonesische botanische illustratoren nadrukkelijker erkenning in botanische publicaties.
Na de Indonesische onafhankelijkheid (1945) veranderde de positie van de plantentuin en haar bibliotheek ingrijpend. Met de benoeming van de Indonesische botanicus Kusnoto Setyodiwirjo als directeur kwam het wetenschappelijk instituut voor het eerst onder Indonesisch leiderschap te staan. Een nieuwe fase brak aan waarin de kennis over de Indonesische flora steeds meer vanuit Indonesië zelf werd ontwikkeld en beheerd.
Daarmee blijft de vraag open in hoeverre lokale plantenkennis een rol heeft gespeeld bij het selecteren, begrijpen en vastleggen van de planten die Berthe afbeeldde. Juist die onzichtbare kennis vormt een belangrijk onderwerp voor verder onderzoek.
Bron:
Berthe Hoola van Nooten, 1817–1892. Leven en werk van een ongekende bloementekenares / David Apollonius Coppoolse en Marcel van Dorst.

Lokale kunstenaar: Marian van Weert





































